
Voorwoord#
Vijfenveertig jaar heb ik gewacht om mijn memoires te schrijven over mijn belevenissen in het KZ te Flossenbürg. Ik had ze eerder op papier moeten zetten, want ook de geschiedenis is over Flossenbürg heen gegleden. Auschwitz, Dachau, Buchenwald, Bergen-Belsen zijn sinds lang ingehamerde verschrikkingen, doch de “hel” van Flossenbürg blijkt niet gekend te zijn. Daarom deze brochure die een leemte heeft aan te vullen.
Deze brochure is tevens een herinnering aan de barbaarsheid van het nazi-regime dat met geen woorden was te beschrijven. Tegelijkertijd buig ik het hoofd voor tienduizenden en tienduizenden doden, mensen die zich hadden verzet tegen een harteloze dwingeland, en die ver van volk en land als beesten stierven of werden afgeslacht. De tol voor de vrijheid lag hoog en was bloedig.
Jongere generaties doen er goed aan historisch-menselijke (geen demagogische-politieke) lectuur te lezen over KZ om zich sterker te kunnen maken met de gedachte: ZOIETS MAG NOOIT MEER GEBEUREN. Als dat wordt bewaarheid zal de geleverde weerstand en gebrachte offers van miljoenen mensen niet nutteloos zijn geweest. DEMOCRATIE, DE STEM VAN HET VOLK IN VOLLE VRIJHEID. MOET VOOR EENIEDER EEN NA TE STREVEN IDEAAL BLIJVEN.
De brochure is ook streng-persoonlijk zonder te willen afrekenen met degene(n) die in eigen rangen verraad hebben gepleegd De waarheid behoudt steeds haar rechten.
Tenslotte is deze brochure een verjaardagsgeschenk voor mijn echtgenote, kinderen, kleinkinderen, familieleden en vrienden. Op 23 april 1945 werd ik door de Amerikanen in Flossenbürg bevrijd. Een “cadeau” voor mijn verjaardag op 25 april. Ik was er toen 38. Vijfenveertig jaar later geef ik het als geschenk.
C.J. Droesbeke

Inleiding#
Ik werd op 31 maart 1944 in de woning van mijn moeder te Merchtem door de Gestapo aangehouden. Tegen elke verwachting in was ik er blijven overnachten. Weerstander X was te lang op visite gebleven, zodat het te laat was om nog naar Brussel te fietsen. Spertijd. Wie had mij aan de Duitsers verraden? Enkel X wist dat ik bij moeder de nacht ging doorbrengen. Ik kon bij de komst van de Gestapo niet ontsnappen. Het huis van moeder was omsingeld. Ofschoon ik gewapend was, had weerstand bieden geen zin. De overmacht van de Duitsers en trawanten was te groot. Ik trachtte langs het dak te ontkomen, gleed uit en kwam vanuit het dakvenster in de kroonlijst terecht.
Nadat ik mij had overgegeven, werd ik in een wagen geduwd waarin ik ook mijn dorpsgenoot X herkende. Deze rookte een sigaar die hij kennelijk van een Duits begeleider had gekregen. Op een Duitse vraag of ik de man met de sigaar kende, antwoordde ik ontkennend. Ik werd getrakteerd op een boks in het aangezicht. Een “speciale” manier van kennismaken, doch ik zweeg.
De Duitsers reden met ons over Breendonk naar Mechelen. Ter hoogte van het beruchte fortkamp zei mij een vergezellende Duitse officier: “Dit wordt uw toekomstige woonst.” In een kazerne te Mechelen aangekomen, werd ik afzonderlijk gehouden. X bleef in het bureel bij de Duitsers. Er werden meer en meer leden van onze weerstandsgroep de kazerne binnengebracht. De verklikking scheen lonend te zijn.
Na ondervraging en het nagaan van de identiteit werden wij in een groepje van tien - onder wie een Engelsman wiens naam ik nooit heb horen vernoemen – naar de gevangenis aan de Begijnenstraat in Antwerpen gevoerd. Ik werd er alleen in een cel opgesloten. De enige. Ik werd meerdere keren ondervraagd en gefolterd in een gebouw aan de Belgiëlei. Ik hoorde mij ook beticht door o.m. X van daden waarvan ik volkomen onwetend was. Ik werd als enige van de groep naar Breendonk overgebracht. Ik werd er ondervraagd en mishandeld; doch na enkele dagen belandde ik opnieuw in de gevangenis aan de Begijnenstraat. Van daaruit begon de “grote trek” naar het concentratiekamp van Flossenbürg waar ik op 16 december 1944 – België was toen al drie maanden bevrijd - arriveerde.


Het concentratiekamp van Flossenbürg (Beieren), op een vijftal kilometer van de Tsjechische grens, lag 1.100m boven de zeespiegel. Het was een afgezonderd en bijzonder goed gecamoufleerd concentratiekamp. Volgens statistieken werden van 1938 to 1945 ongeveer 111.400 personen opgesloten: 95.400 mannen en 16.000 vrouwen. Nagenoeg 74.000 van wie 1.693 Belgen en 4.771 Fransen keerden niet meer terug. Ik had het nummer B 39.888. Ik heb dat vuil vodje bewaard als een relikwie want het doorstane leed kan, noch mag, noch wil ik vergeten.

Overlevenden mogen niet zwijgen. Ze hebben de erfenis van het spreken. Duizenden vrouwen en mannen die in de “hel” zijn achtergebleven, gaven de overlevenden een testament mee: als alles voorbij is, moeten jullie de wereld vertellen wat hier is gebeurd. De mensheid moet weten waartoe fanatieke bezetenen bekwaam waren en hoe monsterachtig een dictatuur volk en land kon ontwrichten. Dictatuur, racisme, antisemitisme, terrorisme zijn bijzonder boze geleiders. Ze zouden nergens ter wereld een kans mogen krijgen, echter… die gruwelijke realiteit is nog geen verleden tijd. Vandaag de dag worden nog mannen en vrouwen om hun politieke overtuiging, om hun religie, om hun liefde voor land en volk in kerkers gegooid en gefolterd. Het “kwaad uit het verleden” blijft zich herhalen.
Als getuige van zovele menselijke en beschavings drama’s in het concentratiekamp van Flossenbürg vertellen eenvoudige zinnen zoveel meer dan geleerde thesissen. Er gebeurden afgrijselijke dingen in Satava, Zwickau, Terezin, Litomerice, Hradiseo, Yanovice en zovele andere minder bekende verschrikkingsoorden uit de Nazi-tijd. Nachtmerries erover bleven tientallen jaren de gezellinnen van overlevenden. Jongere generaties doen er goed aan zoveel als mogelijk over de concentratiekampen van toen aan de weet te komen en voor zich passende conclusies te trekken tegen politieke regimes die er op uit zijn de menselijke vrijheid aan banden te leggen of te vernietigen.
Er komt een dag dat er geen overlevenden v0an Duitse concentratiekampen meer zullen zijn; doch generaties moeten zich in waarheid kunnen blijven vragen stellen over de verderfelijkheid van staats- en totalitaire partij regimes of ideologieën, gebouwd op haat, onvrijheid, vernietiging van geestelijke waarden, biologische religiositeit.
Wie mishandelt, foltert, onrecht pleegt in de naam van een volk, een land, een kerk, een idee moet steeds worden bekampt. Dat was de zin van het lijden en van de martelgang van de zovele honderdduizenden om niet te zeggen miljoenen in de concentratiekampen van de Tweede Wereldoorlog.
De geschiedenis zou zich op dat vlak in de decennia en de eeuwen die nog gaan komen, niet meer mogen herhalen. Fascisme, nazisme, marxisme en zovele andere “ismen” die volkeren en de mensheid op een dwaalspoor naar ontplooiing, bewustzijn en democratie zetten, mogen nooit geen kans meer krijgen. Voor die “ismen” geldt één woord: verafschuwing. In die geest stierven massa’s mensen in de verschrikking van de 20ste eeuw. Een hel, waarin zwakkeren van wil, karakter en gezondheid medegevangenen verklikten om zelf aan martelingen te ontkomen. Menselijk. Helden lopen nooit dik.
Daarom is het zo belangrijk dat getuigenissen, documentatie en lectuur naar waarachtigheid worden afgelegd, verzameld, respectievelijk geschreven. Dan zullen ze een voorbehoeding zijn tegen opdroging van wat overlevenden uit concentratiekampen aan de historie hadden te vertellen, volk en natie moeten de oprechtheid van het verleden willen horen en kunnen verdragen.
Propaganda, eigen belang, patriottische hooghartigheid en goedkope emotie eren de doden niet. Ik ontbloot het hoofd uit eerbied voor de zovelen die ik gelaten in pijn, in vertwijfeling, als slachtoffers voor volk en land heb zien sterven. Moedig of niet, ze hadden het allen aangedurfd zich af te zetten tegen een bezetter, in vele opzichten een wrede dwingeland.
In het land van de vijand#
16 december 1944! Dag van aankomst in Flossenbürg. Een trein loste een groep van 95 “veroordeelde” politieke gevangenen, burgerlijke ongehoorzamen, saboteurs. Ik was er één van. We droegen allen handboeien… als waren we gevaarlijke misdadigers. De ontvangst in dat godvergeten gat was bepaald onvriendelijk. Duitse inwoners, volwassenen en kinderen, jouwden van op de stoep de gevangenen uit. Achter vensterramen zagen we spottende en uitdagende gezichten verschijnen. Hier en daar bemerkten we evenwel medelijdende blikken van Duitsers die een gevoeliger kijk op de voorbijtrekkende menselijke miserie hadden.
De afstand tussen het station (even buiten de dorpskom) en de ingang van het concentratiekamp in Flossenbürg was ongeveer anderhalve kilometer. Bij het verlaten van de dorpskern was links op de heuvel het puin van een oud versterkt kasteel te zien. In weerwil dat de steenmassa ervan nog indrukwekkend was en de omliggende bergen scheen te beheersen, was de aanblik eerder somber. Ietwat akelig zelfs.
In de verte waren nieuw gebouwde barakken in de bekende Beierse stijl te onderkennen. Reusachtige werken waren aan de gang in een vallei: het kamp, een werkkamp nog wel. Rondom op- en neergaande heuvelrijen en sparrenbossen, grof van naald, zover men zien kon. Een meer was ingevolge de bebossing grotendeels aan het zicht onttrokken.
De berg aan de voorkant was een steengroeve in exploitatie. Donkere gangen tussen reuzenblokken steen wezen de ingangen naar de groeve aan. Dat gedeelte van het kamp was afgespannen met prikkeldraad en omringd door uitkijktorens. Alles liet uitschijnen dat er kampgevangenen waren te werk gesteld. Gecamoufleerde barakken, nauwelijks te onderscheiden, gaven mij het gevoel vlakbij de “plaats van bestemming” te zijn.
De ingang van het concentratiekamp was majestueus. Twee enorme zuilen droegen een massief ijzeren hekken, stevig vergrendeld. We bleven ervoor staan. Een SS-bewaker kwam haastig en zichtbaar woedend, met knuppel in de vuist, op ons af. “Weitermarschieren”, schreeuwde hij. Hij telde. Het zware hek sloot zich eerder langzaam en tergend knarsend achter de colonne van 95. Toen zag ik nog beter de omheining, elektrische stroom erop ontnam hoop op ontvluchten in een streek waar vrijwel geen enkel teken op de nabijheid van menselijk leven wees.

Wachttorens in steen met kleine daken imponeerden. Machinegeweren loerden. Aan de horizon donkere silhouetten, overblijfselen van het reeds eerder geciteerde kasteel op de grens van het nabijgelegen Tsjechoslowakije.
Wanneer ik dit zag, stond ik er als verlamd bij. Overigens, niemand in de binnen gedreven groep gevangenen bewoog. Enkel het klapperen van tanden was te horen. Een noordoostenwind sneed droog door de kleren. Het vroor dat het kraakte. Het kwik in de thermometer aan een groot gebouw bij de ingang was gedaald tot 17 graden onder nul. Vastgetrapte sneeuw was een ijslaag geworden. Handen tintelden, voeten werden gevoelloos bij het wachten op bevelen.
Kapo’s, gevangenen zoals wij, die in het concentratiekamp bevoorrechte functies bekleedden, schoten in beweging. Hun knuppels hielden orde en tucht in ere. De marteling begon. Iedereen moest afgeven wat hij nog bij zich had en zich daarna ontkleden in de puurste vrieslucht. Wat het roven nog waard scheen, bleef achter in de handen van de kapo’s: degelijke bovenkleding, goed schoeisel, wollen truien, gouden ringen, brillen… ook foto’s van dierbaren tot wie wij spraken in moeilijke en vertwijfelde momenten werden afgenomen. Velen hadden tranen in de ogen. Wie wij tot dan toe hadden kunnen op het hart houden, verdween in boze handen. Met tegenstribbelen of weerspannigheid was niets te winnen.
Overigens, knuppels sloegen zo graag op blote lijven. Eens allen spiernaakt, begon de opwarming tussen twee hagen bewakers. Bij elke doorgang troffen ze raak. Dat “spelletje” duurde ongeveer een half uur. Bij deze gure koude en op bebloede voeten wegens de hardheid van de sneeuwkorst, brak mij het angstzweet uit. Ik voelde warmte van pijn en benauwdheid. Na de “exercitie” in looppas en bukkend onder slagen, werden wij allen met ijskoud water “gereinigd”. Eens “gezuiverd”, werden wij toegelaten tot de barak. Een houten bak werd mij en de anderen toegewezen. Het was nu wachten op de komst van de eerste nacht, meenden wij.
Mis. Een geschreeuw in het Duits haalde mij uit het gepeins over een bijzonder onzekere en onheilspellende toekomst. Twee tamelijk goed geklede gevangenen meldden zich in de barak aan. Ze waren gewapend met schaar en scheermachine. Ze behoorden kennelijk tot het “gild” van de kappers van het concentratiekamp. Ze schenen op elkaar goed ingesteld te zijn: de man met de schaar knipte ruw de haarbos weg en de man met de tondeuse deed het millimeterwerk. Ze gingen in hun arbeid op, want eens het hoofd gladgeschoren, ontdeden ze ook de borst, de schaamstreek, dijen en benen van hun natuurlijke begroeiing. Vergeleken met een gepluimd kieken was dit nog erger. Een vermaledijd zicht.
Eens naar “de regels van de kunst” kaal geschoren, wierpen bewakers ons de kledij van gevangenen toe : een blauw-grijs gestreept pak uit lichte stof zonder voering, een muts, een hemd, houten schoeisel. Een zakdoek was er niet bij. Wij werden “in orde” geacht voor het betrekken van onze eerste woonst : barak 20. Later verneem ik dat het kamp 24 “woonblokken” telde waarin ongeveer 10.000 gevangenen verbleven.
Het kampregime werd onmiddellijk voelbaar: dezelfde avond geen eetmaal meer. Het was te laat (?). Pas koolsoep de volgende middag! Het menu was gekend. De beroering, eigenlijk een vorm van protest, onder de gevangenen in de barak was groot. Voor niet lang want de knuppels van toegesnelde bewakers herstelden in een mum van tijd de rust.
In de gegeven omstandigheden was het aangeraden de slaapstee op te zoeken. Slaap was nodig. Ik nestelde mij op de derde “verdieping” in de boven elkaar getimmerde bakken, net sardienendozen van vier stuks in de jus van ongedierte. Smerig. De zijplanken van de slaapbakken zagen zwart van overblijfsels van vroeger gedode luizen en vlooien. Het krioelde van die diertjes. In geen tijd zorgden beten voor rode puistjes op het lichaam. Er zat voor “bakgenoten” niets anders op dan op elkaars parasieten jacht te maken.
De avondklok was ingesteld op acht uur. Het kamp lag gekneveld in stralenbundels van krachtige projectoren: doch in de barak geen licht, geen woord, geen gerucht meer. Verboden. Tevens was het opletten geblazen voor begerige vingers. Want hoe schamel ook de restanten waren van het persoonlijk bezit, de attentie van dieven verslapte niet.
Slapen gebeurde in hemd onder een deken in flarden. Het gestreept gevangenpakje diende tot hoofdkussen. De bedplanken waren zo weinig in aantal dat ze niet eens het tot matras gekapt stro konden ophouden. Je mocht al van geluk spreken wanneer geen dysenterielijder in de buurt lag. Nog erger was het als iemand met buikloop je bovenbuur was.
De taal van de knuppel#
Alle dagen begonnen zeer vroeg en wanneer speciale werkcommando’s werden gevormd, werd nog een stuk meer van de nachtrust afgeknaagd. Vijf was het normaal uur van opstaan, eigenlijk een “opslaan”. De bewakers of helpers of hoe ze waren te noemen, sloegen er op los. Iedere ochtend klopten ze ons uit de slaapbakken. Gevloek en getier gingen gehuil en gekreun vooraf. Een afschuwelijk ontwaken. De ordonnansen van de kapo’s zwierden graag de knuppel. Op alles wat niet naar hun zin was, stond knuppeltarief. De inspecties aan “bed” joegen je de bibber op het lijf, want wanneer was een slaapbak volgens de regels in orde? En als de “Blockmann” er zich mee bemoeide was aftroeven een gewoonte. Het kon nog erger wanneer je om dit alles ’s avonds niets te eten kreeg.
Over die kapo’s en helpers, allen medegevangenen, zijn ergerlijke dingen te vertellen. Om in functie en om in leven te blijven maakten ze het bestaan in het concentratiekamp gruwelijker dan het al was. Ze waren medeverantwoordelijk voor doding en uithongering. Ze schrapten willekeurig maaltijden of deelden mindere rantsoenen uit om zich beter te kunnen voeden. Een afschuwelijk kampensysteem met een huiveringwekkende “Blockchef”.
Wat voor een man was hij? Hij leek een vijftiger te zijn en was van Duitse nationaliteit. Hij was voor alles een misdadiger van gemeenrecht, die - tot levenslang veroordeeld – na tien jaar hechtenis de kans had gekregen zich opnieuw “waar” te maken in een concentratiekamp. Kort gedrongen van gestalte, had hij een monsterachtige blik waarin verachting en argwaan dreven. Brutaliteit was hem aan te zien en hij was onderhevig aan woede uitbarstingen. Die man was elk menselijk gevoelen kwijt. Gevangenisjaren hadden hem van mens en maatschappij vervreemd. Zo een wezen was als Blockchef in het concentratiekamp meester over leven en dood. Geen enkele gevangene was bij hem veilig. Hij was onstandvastig, grillig. Hem tegenspreken stond gelijk aan zelfmoord. Raaskallen over Duitsland kon hij. “Duitsland gaf ons onderdak, kleding en voeding. Als tegenprestatie moesten wij met hart en ziel werken want Duitsland had om te overwinnen vele handen nodig. Elke weigering tot arbeid zou met de dood worden bestraft.”
Zulke kletskoek werd telkens door tolken vertaald in het Russisch, het Frans, het Italiaans, het Tsjechisch. Och, die man dacht dat hij aan hersenspoeling deed als hij peroreerde over de oorlog die niet te vermijden was geweest. Volgens die Blockchef lag het oorlogseinde vlakbij. De geallieerden zouden terug in zee worden gedreven en het bolsjevisme zou worden vernietigd. Duitsland kon niet verliezen. Pure onzin was dat. Erger, wat die gek of gevaarlijke man (ik laat je de keuze) uitkraamde, moesten de gevangenen met een overtuigend “ja” beantwoorden, zoniet kon je je aan het ergste verwachten.
“De gevangenen hoeven enkel te arbeiden en gelukkig te zijn in hun lot”, zei hij. Een regelmatig zich baden was een “must”, maar er was geen water. En voorts was het aangeraden te onthouden dat sabotage met de strop werd bestraft, dat stelen je de doodstraf kon kosten, dat het verboden was over politiek te spreken, dat eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd aan de autoriteiten van het werkkamp. Groeten gebeurde in houding en met muts in de hand.
Wanneer de instructies aanhoord waren, moesten wij in de rij voor het gevangennummer. Ik ontving nummer B 39888. Meteen werden in het register van het kamp namen door nummers vervangen. Eens het lapje met het nummer op de linkerschouder van het gevangenenpak vastgenaaid, kon je elk ogenblik van de dag worden ingedeeld bij “kommando’s” om op bevel bepaalde werken of karweien uit te voeren.
Leven met de dood#
De klok kondigde de middag aan. Etenstijd. Magen rammelden van de honger. Vijf, zes gevangenen gingen in de keuken de soepketels halen. De anderen stonden in houding voor de barak met een verroeste kom en lepel in de aanslag. Het was bitter koud. De gevangenen van dienst sjouwden vijf ketels tot bij hun “collega’s”. Helpers van de Blockchef snelden toe om de soepbedeling, voor elk een pollepel van nagenoeg een liter inhoud, in “goede” banen te leiden. Wie uit het automatisme van snel aanschuiven viel en niet tijdig de kom onder de pollepel stak, voelde harde vuisten op zere plekken. Die keukenlepel was nooit tot de boord gevuld en hij ging niet dieper dan het dunste van de soep, want het onderste en veruit het smakelijkste en het voedzaamste van wat in de ketel was, werd verdeeld onder de helpers, de vertrouwelingen van de kapo.
De soep was binnen gelepeld. De arbeid wachtte. Zware nog wel. Op de heuvel moesten fundamenten worden gegoten voor de bouw van nieuwe barakken. Op een litertje waterachtige soep een hele namiddag onder zakken cement lopen was geen lachertje. Allen waren gekweld door honger, koude en vermoeienispijn.
’s Avonds, na de werkuren, organiseerde de Blockchef in de barak “publieke vertoningen”. Een door duivels ingegeven spektakel. De chef liet twee stokslagers aanrukken die bij voorkeur de nierstreek van de slachtoffers bewerkten. Vijftig stokslagen was een normaal tarief. Iedereen was verplicht dit “schouwspel” bij te wonen en te zingen om het gehuil en geschreeuw te overstemmen. Weerzinwekkend. Vaak werd zo hard geslagen dat bloed op de “toeschouwers” spatte. Afgrijselijke taferelen. Waren dat nog mensen? Voor de minste futiliteit werd de bedeling van voedsel ingehouden en naargelang het humeur van bewakers werd naar de stok gegrepen. Ik heb er ook een kapotte nier aan overgehouden.
De kampbewakers waren sadisten van de ergste soort. Een zondag, allicht wegens de ene of andere pekelzonde, kreeg niemand enig voedsel. Daar bovenop volgde nog een tuchtmaatregel van gedwongen oefeningen, die in de loop van de dag meerdere keren moesten worden overgedaan. Die bewakers vonden in die pesterijen hun plezier. Soms deden ze ons zo lang neerhurken tot wij achterover vielen, of hingen ze gevangenen met de armen op de rug gebonden aan een haak. Zeer pijnlijk was dat. Het gebeurde ook dat de kampbewakers ons zonder enig materiaal ter beschikking te stellen in looppas nutteloos aarde of zand deden verplaatsen. De muts was het aangewezen “transportmiddel”. De pestkoppen gierden het uit van het lachen; nietsnutten die plezier hadden in het door de knieën zien gaan van zwakken, van ellendigen, van hongerigen.
In het radarwerk van slavernij en getreiter draaide ook het tandwiel van de dood. Het vermorzelde geloof, hoop en liefde. Haast dagelijks bengelden doden aan de ene of ander paal in het kamp. Opgehangen lichamen was een vertrouwd beeld voor de gevangenen die ’s avonds, na zware arbeid, naar het kamp terugkeerden. Ze waren “buit” voor lijkendragers. Af en toe werden ook geweerschoten gehoord en dan had je het raden tussen gestraften die werden gefusilleerd of gevangenen die hun poging om te ontsnappen met de dood hadden bekocht.
Iedereen sliep en leefde met de dood. Gruwzaam in de verscheidenheid. Zieke gevangenen werden als woekerplanten uitgeroeid. Ze waren van geen enkel nut, waarom ze dan nog voeden? Cynisme was dagelijks één groot uithangbord. Een dag ruimde een gevangene sneeuw. Hij keerde de witte massa bezijden de weg in een lagergelegen greppel. Plots werd hij in de rug aangetrapt door een SS-man. De sukkelaar tuimelde voorover in de gracht. Hij miste zichtbaar de kracht om overeind te komen. Niemand snelde hem ter hulp. Hij bleef spartelen tot hij… bevroor. Het gebeurde dat kampbewakers bij vriesweer een gevangene in een grote waterbak onderdompelden. Daarna werd deze man met doorweekte kleren tentoongesteld op het appelplein. Na weinig tijd vielen kloven in aangezicht en handen. Opnieuw werd de man onder water geduwd. Weer werd hij geëxposeerd. Het lichaam veranderde in een dode blok ijs.
Het concentratiekamp was één groot sterfhuis. Elke morgen lagen gevangenen dood in de slaapbak. Wie van karwei was gooide de lijken door het venster. Net huisvuil. Luguber. Soms lieten medegevangenen overleden barakkameraden dagenlang in de slaapbak liggen in de hoop wat van hun rantsoenen te kunnen sprokkelen. Ik heb drie dagen naast een lijk geslapen, tot de morgen dat stokslagers die ons uit de “veren” klopten, ontdekten dat hij overleden was.
De dood was in Flossenbürg zijn waardigheid kwijt. Wanneer men ’s nachts in de barak een plof hoorde, mocht je ze zeker van zijn dat iemand een dode bijslaper over de rand van het “ledikant” had gekiept. ’s Morgens waren dan én, twee of meer stuks te tellen op de doorgangen tussen de beddenbakken.
Een dag was ik van “dodencorvee”. Een griezelig werk. Ik moest de lijken opruimen en ontkleden. Ik zag nog een dode steken boven in een bak op de derde rij. Ik miste de kracht om hem uit de bak te hijsen en sloeg pardoes achterover. Ik trok het lijk in mijn val mee. Dit viel in zijn volle lengte op mij. Om van te huiveren.
De griezelfilm liep voort in de … wasplaats. Wanneer ik al die vertrokken monden, glazen ogen en laatste gelaatsuitdrukkingen zag van dode mensen, geraakte in van streek. Ik besefte dat ik mensenbeenderen aan het stapelen was. Op iedere borstkas, het vel over been, moest nummer en nationaliteit worden gemarkeerd. Dat gebeurde met rode verf. Ik had hallucinaties. Ik voelde mij langzaam dood gaan.
Tragisch-curieus waren de gedragingen van stervenden. Doodzieken strompelden in de hoek van de wasplaats samen en legden zich bij eerder op de dag verzamelde lijken te zieltogen; anderen bliezen hun laatste adem uit in de toiletten, waar men doorgaans het best beschermd was tegen mishandelingen van bewakers; nog anderen begonnen plots te huilen of te briesen en werden gek. Een inspuiting met phenol maakte er een einde aan.
Weerstanders, mensen die hun volk en land hadden gediend, onschuldigen, stierven in het land van de vijand als ongedierte in de stank van ammoniak. De prijs voor de vrijheid die ze allen hadden liefgehad en verdedigd was… de dood. Zwakkere naturen en willozen overleefden er de “struggle for life” niet. En het was ieder voor zich. Gevangenen waren hard voor mekaar. Nu, wie dagelijks lijken naar de verbrandingsoven sjouwde, braakte niet meer van lijkgeur en viezigheid. Ik heb er honderden naar de vuuroven gesleept of vervoerd. Hun klamheid bleef aan de handen plakken want gelegenheid om ze te wassen kreeg men niet.
Een dag was ik weer van “lijkendienst”. Een Russische gevangene hielp mij. Tussen de hoop geraamten ontdekte ik mijn Brusselse vriend Delchambre. Ik had hem leren kennen in de gevangenis van Sint-Gillis (Brussel). In een opwelling van ontroering wou ik die man een laatste eer bewijzen, doch mijn Russische gezel verstond het zo niet. Hij keilde het lijk bij de andere op bevroren stenen. Ik kromp ineen van de hartpijn, doch dat veranderde niets aan de dagelijkse confrontatie met de dood.
Barak 19 was bewoond door kinderen en jongeren tussen 8 en 16. Naar ik achteraf heb gehoord, waren het Joden. Ze werden minder streng behandeld dan de overige gevangenen en waren door de nazi’s van zware arbeid ontlast. Toch stierf het grootste part ervan door ondervoeding en bij gebrek aan medische verzorging.
Arbeid in de steengroeven schrikte eenieder af. Dwangarbeiders-gevangenen beseften er dat ze in hun laatste rustplaats aan het werken waren.
December 1944 liep op zijn einde. Er woei een aanhoudende koude wind. Een dag moest ik met een arbeidscommando mee naar die onheilspellende “Steinbruch”. Sneeuw geselde de arbeid. Een honderdtal gevangenen waren in de slechtste omstandigheden die je kon indenken werkzaam. Omvangrijke steenblokken moesten met primitieve middelen worden verplaatst op een ongelijk-glijdende bodem. Een afmattend pijnlijke arbeid. Zwakke lichamen konden zich met moeite achter hun zware steenvracht op de been houden. Ze strompelden, zigzaggend als dronkenlappen. Bewakers scholden en ranselden uitgeputte karkassen voorwaarts. Puntige hoekstenen sneden in broze vingers en handpalm. En ’s avonds, na de arbeid, kiepten kantelwagonnetjes doden en levenden in het kamp op hoopjes. Onkennelijk “kiezelzand” waarvoor kapo’s de waterslang, afwisselend koud en warm, nodig hadden om de levenden van de doden te onderscheiden. Ten minste de helft van de afgespoelde ellende was materie voor de lijkoven.
Een tweede dag in de steengroeven wou ik ten alle prijze vermijden. Vroeg ik in de ochtend glipte ik ongezien in een commandogroep van boomhakkers. Ontnuchtering greep mij dra naar de keel. Ik was een andere doch even wrede calvarieweg begonnen. Telkens beladen met twee kleine boomstammen op een smal, glibberig pad bergop, kon het niet snel genoeg vooruit gaan. Vallen, knuppelslagen, houten blokken verliezen en op blote voeten verder want in de rij mocht geen mensenschakel ontbreken, veroorzaakten vreselijke voetverwondingen. De sukkels kregen respijt noch verzorging. Ze waren al blij dat ze ’s avonds nog mede naar het kamp konden weerkeren. Maar in hun ogen dreef angst voor de volgende morgen. Degenen die zich ’s anderendaags ziek meldden, mochten tegen het tarief van vijftig stokslagen in het kamp achterblijven.
Leven met de dood! Bij 25 graden onder nul bevroren de ledematen. Vingers, handen en voeten werden niet zelden met dodelijk gevolg geamputeerd. En wat gebeurde er in de ziekenzaal van het kamp? Er liepen geruchten over inspuitingen in de hartstreek met phenol. De Franse dokter Legais, die er vaak van dienst was, gewaagde eens van meer dan 500 slachtoffers. Gevangenen zouden als proefkonijnen gebruikt zijn geweest. Euthanasie bij zieken in aanwezigheid van dr. Richard Trommen bleek een stelregel te zijn.
De monumentale trap tussen de keuken en blok n°1 van ongeveer honderd brede treden uit met de hand gekapte steenblokken gebouwd, deed mij telkens denken aan en door duivels geplaveid altaar ter ere van de verschrikking. Hoeveel gevangenen uit ik weet niet hoeveel verschillende landen hadden bij de realisatie van dit “kunstwerk” niet hun leven gelaten?
De “Prinsen” en de “Dieren”#
De woonst van de Blockchef was bij de ingang van de barak. Deze was goed ingericht. Er ontbrak niets. In de onmiddellijke nabijheid bevonden zich de slaapsteden van de knuppelaars. Ze hadden geen uitstaans met de gevangenen. De knuppelaars waren met zorg gekleed en goed gevoed. Ze leefden als prinsen op een apocalyptische mestvaal. Fier als gieters droegen ze de groene driehoek, de identificatie voor misdadigers van het gewoon recht. Het merendeel van hen waren moordenaars. Slaan was praktisch hun enige bezigheid of tijdverdrijf. Daarnaast had je ook nog de “dienaars” van de kapo, de ploegleider van het arbeidscommando. Ze vertegenwoordigden een mengelmoes van nationaliteiten: Duitsers, Russen, Slaven, Nederlanders. Allen waren fanatieke beulen. Belgen en Fransen, sterk in de minderheid, behoorden tot het plebs van het concentratiekamp.
De meester-kapo had ook nog jonge “beschermelingen” die zich voor een bord soep of wat anders overleverden aan sexuele bevrediging en genoegens van hun “meester”. Een walgelijk vleien, een prijsgeven van elke menselijkheid in het regime van elk concentratiekamp ingebakken. Een reden te meer om blijven regimes te bevechten die mensen in ontering van hun vrijheid beroven.
De “prinsen”, de “dienaars”, de “beschermelingen” leefden niet tussen de stront en de urine. Zovele duizenden sukkelaars wel. Wie moest voldoen aan een natuurlijke behoefte en naar de toiletten wou, kon niet voorbij een bewaker. Wanneer deze slecht geluimd was of wanneer hij dacht dat in de barak te veel lawaai was gemaakt, mocht je rechtsomkeer maken wat resulteerde in gevoeg doen in de barak. Uitwerpselen lagen overal. Een verpestende stank. Barakken leken vaak varkensstallen. Hygiënisch papier was er onbekend.
In de aangelegde latrines ben ik getuige geweest van de wansmakelijkste taferelen. In de regel moest je om het w.c. te gebruiken in de rij gaan staan. Knuppelaars hadden prioriteit. Wee degene die zijn behoefte zat te doen op een moment dat een knuppelaar dringend “moest”. Slagen en stampen joegen die man voortijdig weg. Hij moest het maar elders zien te klaren.
Nog beschamender en beestachtiger was het w.c.-gaan overdag. Dat moest in het openbaar gebeuren boven een brede en uitgegraven kuil. Aan de kant van de put, een boomstam waarop je het al zittend kon doen. Dat was verre van appetijtelijk. De gladde boomstam was steeds besmeurd want je mocht niet te ver op de boom gaan zitten om niet het risico achterover in de stront te ploffen. Dat gebeurde meer dan eens. Afschuwelijk was dat. Niet zelden werd een dode uit die publieke aalput gehaald.
Was dat nog leven? Menselijk neen, dierlijk ja. Waar haalden die duizenden en duizenden gevangenen nog de wilskracht om dag aan dag rechtop te blijven? Eens de dagtaak om, weinig eten en bij veel slagen om 18u ten einde zochten in het kamp vermoeide en magere lichamen hun plaats op voor de naamafroeping. Dat geschiedde onder Duits gehuil en gevloek. Dat appel in houding en met de muts in de hand kon bij afwezigheid van zieken en van stervenden, die de kracht mankeerden om zich te verplaatsen, uren duren. Het aantal moest juist zijn. Er mocht niet eerder worden ingerukt voor de bedeling van het schamele avondbrood, een rantsoen dat de honger niet draaglijker maakte.
Nadat alles in de plooi was gekomen en het weinige voedsel verorberd, kropen vermoeide en magere lichamen als mieren door elkaar naar de beddenbakken. Voor het vatten van de slaap rolde mij telkens de film van de dag voor de ogen. Van lange duur was die niet. De sequenties waren steeds dezelfde: hard werken, knuppelslagen, permanente processies van dodendragers. Laatstgenoemden droegen in hun kleren de geur van verbrande lijken. Je deed er goed aan niet te lang over dit alles na te denken, want de nachten waren kort en ’s anderendaags wachtten steeds dezelfde zware houwelen en schoppen voor taken boven je macht, doch kapo’s redeneerden anders.
In het concentratiekamp van Flossenbürg werd op alle vlakken de lijn doorgetrokken tussen de “dieren” en hun “prinsen”. Achter de luizige barakken stond er ook een hutje. Gordijntjes versierden de vensters. Een “villaatje” van plezier waarin enkele schone en goedgeklede dametjes, Franse meisjes, “prominenten” van het kamp verlustigden. Het zich overleveren aan prostitutie was hun losprijs voor de vrijheid. Na zes maanden bordeelleven mochten ze gaan…
Wie ’s avonds de vrouwen wil gezelschap houden, moest een ingangsbiljet met nummer (?) hebben. Een speciale bel kondigde telkens de beurt van de … volgende aan.
Een dag werd ik met twee Polen aangeduid om het “huisje der lusten” een opknapbeurt te geven. Was me dat boffen: een weinig vriendschap in plaats van knuppelslagen en een warm interieur. Ik gevoelde de winter niet. Een SS-bewaker, een oudere Luxemburger die de Eerste Wereldoorlog had meegemaakt en in Brussel ingekwartierd was geweest, was me tegemoetkomend. Hij was fier Frans te kunnen spreken tussen al die Duitsers. En Brusselaars lagen bij hem in de bovenste la. “Brave mensen”, zei hij. ’s Anderendaags bracht de Luxemburger mij een paar kousen mee. Daarna was het liedje uit. Eens het schilderwerk beëindigd, begon opnieuw het helleleven. Ik had mij een paar dagen bij de “prinsen” gewaand.
Eens uit de warmte van het villaatje voelde de barre koude dubbel aan. In het “dierenrijk” kon ik er nog eens van dromen.
Het liep tegen Kerstmis. De nachtlucht was klaar van de sterren. Het was bijna volle maan. Ik dacht in mijn beddenbak aan de kerstfeesten van vroeger, de kerstkransen, de gezelligheid, het lekkere eten. Zou ik dat ooit nog smaken? Zou ik ooit nog weerkeren naar het land, mijn vaderland, waaruit een bezetter, een vijand van mijn volk, mij had weggesleept omdat ik het lief had gehad? In die vertwijfeling betrapte ik mij op plannen voor de toekomst. Een mij aangeboren optimisme zaaide sprankeltjes hoop op… bevrijding uit de hel van Flossenbürg. Er zou eens een dag komen…
Vooravond van Kerstmis 1944. Het winterde streng. Plots gebeurde er iets geheel onverwachts. Het kon 18u zijn geweest wanneer het kamp door klokkengelui uit de opgelegde rust werd gehaald. Niemand wist wat dit te betekenen had. Iedereen stelde zich vragen. Plots weerklonken bevelen tot ontruiming van de barakken. Het kamp verkeerde in opschudding. Appel in bevolen stilte. Het kampplein baadde in felle licht. Onrust dreef op de wezens van duizenden gevangenen. Welk spektakel ging er beginnen? Het werd eenieder vlug duidelijk: zes gevangenen gingen worden opgeknoopt aan de dwarsbalk van het doel op het voetbalveld. Gewapende SS-ers rukten aan en namen hun plaats in rond het “strafplein”. Een officier dreigde en brulde onverstaanbare woorden. “Le moment suprême” was aangebroken. De veroordeelden traden vanuit een hoek van het kamp naar voor in de klaarte van een verlichte reusachtige kerstboom. Cynischer kon het niet. De arme drommels, de handen op de rug gebonden deden mij terugdenken aan Romeinse spelen ten tijde van Nero. Toen waren slaven en christenen voer voor de leeuwen; in Flossenbürg dienden uitgemergelde weerlozen tot wreedaardig vermaak van ongenadigden.
De veroordeelden schoven in rij onder het dwarshout van het doel waaraan de stroppen bengelden. Medegevangenen, helpers van de kapo’s voor een bord soep, plaatsen onder de dwarsbalk stoelen waarop ze planken legden. Een geïmproviseerd schavot. Het spektakel was is zijn laatste stadium. De zes voor de strop schreden vastberaden naar de dood. Er lag iets heldhaftig in hun blik en ze scholden de beulen de huid vol. Op een wenk stapten ze op het verhoog. Een officier trad naar voor en sprak theatraal het vonnis uit: de doodstraf met de strop. “Keine Gnade!”. Het wou mij voorkomen dat de stem woede inhield. Wat hadden de zes misdaan? Niemand wist het, maar de barse officier maakte eenieder duidelijk dat orde en tucht in het kamp moesten worden gerespecteerd. De helpers legden de stroppen rond de hals van de zes. Een ervan schreeuwde nog enkel zinnen. Ik begreep ze niet. Overigens, ik kende hun nationaliteit niet. Plots werd het muisstil. De beulen stonden klaar. Afkeer voor een regime dat met levens spotte, overviel de zovele duizenden die tegen wil en dank de terechtstellingen moesten bijwonen.
Als door een kwade wesp gestoken trapten de beulen brutaal stoelen en planken weg. Een schok trok zes lichamen in kronkels. Kortstondig. De voeten bewogen het langst. Toen de tong uit de mond stak, waren de nazibeulen tevreden. De “kerstoffers” waren hen een feest geweest.

De gevangenen keerden met hangend hoofd naar hun luizenbarakken terug. Verslagenheid en droefheid dreven boven het kamp. Maar het cynisme van de “heersers” kon niet op, want bij het betreden van de barakken klonk muziek. Muzikanten van het kamp speelden “De Blauwe Donau”. Na alles wat we hadden meegemaakt, hadden we er geen oor voor. Erger, de zachte melodie van de wals was een marteling meer. Cynici kunnen “vindingrijk” zijn.
Het was Sint-Silvesternacht. Het jaar 1944 stierf in de barre koude van 1945. Het kamporkest speelde deuntjes. Om elf uur was het taptoe. Ik lag in mijn beddenbak en dacht aan moeder. Ik werd sentimenteel. Ik had ze graag willen omhelzen. Ik voelde in mij een warme gulp van aandoening en dankbaarheid stromen. Ik overpeinsde wat ze mij zo dikwijls over haar jong leven had verteld. Een gelukkige jeugd hadden mijn beide ouders niet gekend. Beiden waren ze weeskinderen geweest. Mijn vader was jong gestorven. Amper 45 was hij. Drie heelkundige bewerkingen waren hem te veel gewest. Mijn moeder hield zielsveel van hem. Beiden zijn hun calvarieweg gegaan, ik was de mijne nog bezig. Op dat moment wist ik niet dat de vier gruwelijkste maanden te Flossenbürg nog moesten overleefd worden.
Die oudejaarsavond van 1944 vulde ik met sentiment voor geliefde wezens, voor mijn volk, voor mijn land. Het was ongelooflijk wonderlijk hoe ik in Flossenbürg, levend midden ellende, dierlijkheid en in de nabijheid van de dood kon hunkeren naar de schoonheid van het leven. Ik bleef hopen. Ik wilde leven. Ik was optimistischer dan het merendeel van mijn kampgenoten. Had dit een verklaring in de opgewektheid van mijn karakter? Was ik lichamelijk sterker? Dat kon want sportieve jeugdjaren hadden van mij een fysiek paraat man gemaakt. Ik kon lange tijd zware lichamelijke arbeid verrichten op weinig voedsel en in het kampleven gebruikte ik mijn verstand. Je moest niet gaan zoeken wat je kon voorkomen.
Mijn slaapgezellen: pastoor Maurice Fiévez van Pont-à-Celles en Karel Goyvaerts van Boechout haalden mij uit het oudejaarsavondgemijmer. Laatstgenoemde wist niet dat zijn broer Hendrik ’s middags in het kamp was overleden. De moed ontbrak mij het hem te zeggen, wel raadde ik hem af zijn broer een “gelukkig” nieuwjaar te gaan wensen omdat het te gevaarlijk was.
’s Anderendaags vertelde Karel mij dat zijn broer Hendrik met een werk-commando op transport was gezet. Ik wist beter, doch zweeg. Karel heeft nooit de dood van zijn broer geweten. Na de bevrijding van Flossenbürg keerde hij zo verzwakt naar huis terug dat hij nog slechts enkele weken heeft geleefd. Karel verkeerde toen nog in de waan dat zijn broer elders in Duitsland rondhing.

Bloemen en vergiffenis#
Doden werden vervangen door levenden of door wat er kon voor doorgaan. Luidens officiële getallen werden er tussen 16 december 1944 en maart 1945 bijna 46.000 gevangenen (46.491 om juist te zijn) het kamp binnen gebracht. Een groot deel van deze gevangenen kwam uit andere kampen. Hun gezondheid liet doorgaans te wensen over. Zo werden uit Gros-Rosen in Silezië ongeveer 10.000 gevangenen “op mars gezet” naar Flossenbürg. Hun gezondheid was zo erbarmelijk dat ze onderweg honderden doden achter lieten. Degenen die het kamp bereikten, droegen ook nog 400 lijken mee. De capaciteit van het kampcrematorium was te klein. Er werden lijken verbrand in het woud.
Groepen nieuwe gevangenen werden door een helper steeds met rode verf van 1 tot 4 gemerkt. Een sorteren volgens geschiktheid. De nummers één waren goed voor zware arbeid, de nummers twee kwamen in aanmerking voor tamelijk zware arbeid, de nummers drie waren de zwakkelingen voor licht werk en de nummers vier, echte sukkelaars, werden door de kapo’s van het kamp betere arbeidsvoorwaarden beloofd. Ze werden “en vrac” op wagens geladen. Naar welke bestemming? Gingen ze de uitroeiing tegemoet? De SS zelf gelastte zich met deze konvooien. “Gezonde” sluwerds die zich ongemerkt tussen de sukkelaars hadden gemengd in de hoop op een beter … werkregime, zoals was beloofd, kwamen niet meer terug. Ze bleven spoorloos.
Wat wel sporen naliet was de dysenterie-epidemie bij het naderen van de lente. Een vreselijke kwelling, temeer daar in het kamp medische mankracht noch geneesmiddelen aanwezig waren. Dysenterie begon met braken, koorts en hevige buikpijn met stoelgang en bloedingen tot 20 keer per nacht. Zwakkeren stierven na enkele dagen.
Het was hoog tijd dat het einde van de krijgsverrichtingen in zicht was, want bij gebrek aan voedsel was eenieder de uitputting nabij en toch bleven leven en dood onvoorspelbaar. Een dag werd mijn vriend Jozeph Dedobbeleer aangeduid voor een werk-commando. Hij was zo ziek als een hond. Voor hij met zijn werkgezellen optrok, kuste hij mij. “Ik zal je niet meer weerzien”, zei hij. Hij keerde wel terug naar het kamp, maar hij was zo verzwakt dat hij op 2 april, drie weken voor de bevrijding van Flossenbürg, stierf. Hij had mij vanuit zijn lijdensbak nog kunnen zeggen :”Indien jij het geluk hebt van naar het vaderland terug te keren, wil je mijn vrouw en kinderen gaan groeten en hen zeggen dat ik veel van huis heb gedroomd en dat mijn laatste gedachten bij hen waren.”


Naar verluidt werd het dode lichaam later toevertrouwd aan Maurice’s familie in Frasnes-lez-Buissenal. Ik weet met zekerheid dat dit niet Maurice was, maar al veertig jaar lang ga ik op 1 november een bloempje neerleggen op dat graf, want degene die daar rust, was ook iemand van de onzen in Flossenbürg.
Ik leerde Maurice Fiévez kennen in de gevangenis van Sint-Gillis. Het was augustus 1944. Hij was voordien gedetineerd in Charleroi. Onze wegen naar opsluitingsoorden, tuchthuizen, gevangenissen liepen samen. We ontmoetten elkaar in Keulen, Nürnberg, Ebrach, Bayreuth, Bamberg… in dezelfde cel. Ook in Flossenbürg vielen we in elkaars armen.
8 maart 1945. Laat in de nacht was een overrompeling van jewelste. Een konvooi gevangenen was aangekomen. De barakken waren te klein om ze op te vangen. Ieder plekje was goed om te zitten of te liggen: tussen de beddenbakken, in de gangen, in de waszaal, in het toilet. Gezonden, tyfus en TBC-lijders en andere zieken lagen kriskras door mekaar. Plots hoorde ik ter hoogte van mijn beddenbak een stem boven de andere uit: “Petit Belge, n’aurais-tu pas une petite place pour moi?”. Het was Maurice Fiévez. Hij droeg het nummer 86.379. Hij bleef mijn slaapgenoot tot aan zijn dood.
Eén zondag in de laatste oorlogsmaanden vergeet ik nooit. We waren vrij en hadden de tijd om een colonne politieke gevangenen, begeleid door SS-ers met honden, het kamp te zien binnenstrompelen. Ze zagen er allen deerlijk uit. Beladen met bebloede dekens en smerig van de uitwerpselen sleepten ze zich voort. Ontsteld herkende ik in die groep weerstander X die mij en anderen in de Brabantse heimat had verklikt. Ik keek hem recht in de ogen. Hij zag er slecht uit en was beslijkt van kop tot teen. Sinds de opsluiting in Antwerpen in december 1944 had ik hem niet meer gezien. Hij struikelde. Honden sprongen naar hem toe. Een begeleider-bewaker trapte hem in het volle gezicht. Bloed gulpte uit zijn mond. De weerzin was groot. Mijn maag werd er misselijk van.
De ongelukkigen gingen de waszaal binnen. Daar lieten ze hun stinkende spullen achter. X zocht mij en andere vroegere weerstandskameraden op. Hij wou kennelijk iets opbiechten en vroeg ons zijn fout van menselijke zwakheid waardoor hij velen uit onze Antwerpse-Brabantse verzetsgroep in het concentratiekamp had gepraat, te willen vergeven. Dat viel ons niet licht om doen want de pijn en de smart van Flossenbürg had hij ons kunnen bespaard hebben. Vier van onze weerstandsgezellen waren er reeds overleden en de overblijvenden waren nog niet aan het einde van hun lijdensweg.
X zei : “Zie mij hier nu staan. Hebben jullie geen medelijden met mij? Heb ik nog niet genoeg geleden?” We hielden krijgsraad en schoven na wikken en wegen eerdere vergeldingsgevoelens opzij. Allen schonken hem vergiffenis voor zijn weinig moedige daad. X keek ons dankbaar aan. De dag daarop trok hij met zijn colonne verder. Wat hem overkwam, ben ik nooit te weten gekomen. Hij verliet Flossenbürg met bestemming Bergen-Belsen. Belandde hij als gevangene in Russische handen?
Bij mijn terugkeer in het vaderland heb ik mij dan ook niet verzet tegen de blijken van erkentelijkheid ten zijne opzichte. Maar toch heb ik rechtvaardigheidshalve voor mezelf, voor mijn familie, voor mijn dorpsgenoten en de geschiedenis hierover steeds bedenkingen gehad. In het leven moet men weliswaar kunnen vergeven, doch men mag niet alles vergeten. Voor mezelf had ik de heilige eed gezworen geen woord, geen naam prijs te geven. Ik had er veel barbaarse slagen voor over. Een persoonlijke stelregel, ofschoon ik ook bang was van de aftuigers. Echte duivels. Geweten hadden ze niet en beesten waren ze zeker. Anders vond ik geen verklaring voor hun wreedheden op weerlozen.



De verdorvenheid in de mens was in Flossenbürg nauwelijks of niet te definiëren. Enkele dagen voor de komst van Amerikaanse legers was ik er nog getuigen van twee weerzinwekkende taferelen.
Een aprildag zag ik een knaap van 14 met een emmer in de hand de weg van een officier kruisen. Razend van woede riep hij het jongetje terug. “sinds wanneer groet men geen overste meer”, brulde hij. Hooghartig rukte de officier de muts van het jongenshoofd en gooide ze op de grond. Het ventje bukte zich om ze op te rapen. Het kreeg er de tijd niet voor want drie revolverschoten blaften het manneke koud. Vreselijk.
Emmanuel Megens uit de Leeuwerikenstraat in Anderlecht was zo uitgeput dat hij met moeite op de been kon blijven. Tijdens de soepbedeling struikelde hij en stak een fractie van een seconde te laat zijn kom onder de pollepel. De van dienst zijnde kapo werd uitzinnig van woede, nam een blok hout, dat hem onder de hand viel en sloeg die man zo maar dood. Waren dat gedrogeerde beesten? Abnormalen? Waanzinnigen?

Amerikanen… en naar huis#
Eerste helft van april 1945. De dienstregeling in het kamp was grondig gewijzigd. We werden gewekt om 3u30, moesten drie kilometer te voet buiten het kamp zware arbeid gaan verrichten. Omstreeks 20u keerden we terug. Na het avondappel om de doden en de levenden te tellen, kropen we op 200gr brood voor vijf uurtjes nachtrust in de beddenbak. Weinige dagen later bedroeg het dagelijkse rantsoen nauwelijks een handvol haver. Het Derde Rijk was aan het wankelen. Iedereen voelde het aan.
Naarmate april opschoof, werd het luchtruim dagelijks zwarter van de honderden en honderden vliegtuigen in brede formaties achter elkaar. Amerikanen raadden we. Ze vlogen heen en weer. Waar naartoe? In een naïeve opwelling dachten we eerst dat ze ons aan het zoeken waren. De piloten moeten die dagen zeker de rokende schouw van het crematorium hebben opgemerkt. Ze braakte gestadig wolken van brandende lijken. Helaas, de vliegtuigen zochten ons niet. Ze voerden oorlog. Onze bewakers werden er zenuwachtiger en… sommigen gedweeër. Beulen, onmensen van gisteren bleken in een schapenvacht te zijn geschoven: geen gebrul noch getier; geen stampen noch slagen; geen bevelen meer. Het kamp was zijn “hoofd” kwijt. Wanorde kwam in de plaats.
In het gezicht van een nakende bevrijding werd ik geveld door vlektyfus. Dorst kwelde mij. Rillingen, braken, hoestbuien volgden elkaar op. Zweet brak mij overal uit. Ik zag de voeten opzwellen. Angst overviel mij. Zou ik het nog enkele dagen kunnen uithouden? Ik sukkelde – hoe weet ik niet meer - tot in de ziekenzaal. Er werd juist een dode buiten gedragen. Ik nam diens plaats in. Ik lag bij de stervenden. Een geluk kwam met een ongeluk, want enkele dagen voor de aankomst van de Amerikanen verlieten SS’ers in de grootste haast met 16.000 gevangenen die nog op de been konden staan het kamp. De bestemming was Dachau. Karkassen stapten hun “dodenmars”, een dagenlang struikelen en een vechten tegen de dood.
Tussen het vertrek van de SS’ers en het wachten op de Amerikanen was de vrijheid al aan te voelen. Besmettelijke zieken doolden rond op zoek naar enig voedsel. Ze stootten in de verlaten SS-barak op een ton zuurkool en gepelde gerst. Het was kermis.
Intussen eiste de tyfusepidemie een hoge tol. Dagelijks werden 50 tot 80 stervenden geteld. Ik overleefde. Na ongeveer tien dagen tussen leven en dood te hebben gezweefd, voelde ik beterschap. Een mirakel of veel geluk, of hoe je het heten wilt, maar ik was weer te been. Fel verzwakt was ik toch in staat om op 23 april 1945 de Amerikaanse bevrijders toe te juichen. De klok van de verlossing uit de hel van Flossenbürg wees half elf aan. Ik zag dat pastoor Fiévez zich in de modder voortsleepte tot aan de ingang. Gaan kon hij niet meer. Zijn pijnlijk zieke benen waren klonters bloed geworden. Afgrijselijk om te zien; maar hij wilde er bij zijn én bevrijders én God danken dat hij dit nog beleven mocht. Grote ontroering overviel mij. Lichamelijke en geestelijke spanningen die zich maanden in mij hadden opgehoopt, ontlaadden zich in tranenloos wenen. Het hart snikte van opgekropte emoties. Het leven was maanden zo wreedaardig geweest.
Gelukzaligheid en verdriet maakten zich tegelijk van mij meester: een intense vreugde om het gunstig levenslot – of was dit het werk geweest van de Voorzienigheid? - dat mij van de dood had gespaard; innige droefheid om de zovele kameraden en medegevangenen die Flossenbürg niet hadden overleeft. In piëteit herdacht ik hun calvarieweg waarop meer dan 14 staties waren geplant geweest. Ze waren elk meer dan drie keer gevallen onder de last en de pijn van hun dagelijks kruis. Hun Golgotha lag in Flossenbürg en “goede” moordenaars woonden er niet. Vreselijke beelden rolden mij voor de ogen. “kinderen niet toegelaten”. Ik rilde bij sequenties over sukkelaars die waanzinnig waren geworden of die werden doodgeslagen. Wezenloze wezens, verscheurde mensen. Hoevelen in het kamp hadden niet geroepen op de dood om van het lijden verlost te zijn? Ze hadden er om gehuild, gevloekt, gebeden. Flossenbürg was één gruwel.
Ik heb er littekens in lichaam, hart en ziel aan overgehouden. Ze zijn alle tekenend rood als de rode verf waarmede ik destijds in Flossenbürg doden heb gemerkt. Rood had ik ook gebruikt voor de opschriften om de Amerikanen in mijn taal welkom te heten.
Bloedrood was de kleur van Flossenbürg. De SS’ers die de “dodenmars” begeleidden, overschilderden voor hun lugubere tocht ook met rood de muur waartegen dagelijks om en bij de 90 gevangenen werden terechtgesteld. Rood bedekte mensendood.
De eerste Amerikaanse soldaat die ik tegen het lijf liep was Bill Falvey James. Hij was vergezeld van een dokter en een tolk. Als het geheugen mij niet in de steek laat, heetten ze W. Campbell, respectievelijk William McConahey. Ze hebben mij en zovele achtergebleven zieken gered. Ik waarschuwde de dokter dat velen vlektyfus hadden. Amerikaanse soldaten hielden vanop afstand een oogje in het zeil. Het wou mij voorkomen dat vele “soldiers” van het 357ste regiment van de 90ste Amerikaanse divisie, tranen in de ogen hadden. Van ver wierpen ze ons voedsel, zoetigheid, chocolade, sigaretten toe. Rammelende skeletten vochten ervoor. Een bedroevende herinnering.
’s Anderendaags, 24 april, namen dokters en verplegers bezit van het kamp. Wie tyfus had, kreeg een injectie, de anderen ontvingen de zegen die medisch werden nodig geacht. Er waren 1.526 zieken in quarantaine achtergebleven van wie 180 met vlektyfus en 98 aangetast door TBC. Ik prees mij gelukkig van erbij te zijn.
Het was wennen aan het leven dat onder de Amerikanen in het reusachtige kamp met iets meer dan 1500 bevrijde “zieken” stilaan op gang kwam. Een geheel ander regime in een teveel aan lege ruimten met een overvloed aan verraderlijk voedsel voor uitgeputte en uitgehongerde mensen. Velen verloren, na de doorstane ontbering, de controle over zichzelf. Bijna driehonderd (296) gewezen gevangenen vraten zich in weinige dagen dood.
Ik had het karakter om met mondjesmaat te eten. Tussen de maaltijden in inspecteerde ik meermaals het kamp. Ik had de tijd en ik wou voor mijzelf de zuiverste afdrukken maken van datgene waar ik een half jaar een beestenleven had moeten ondergaan. Thans kon ik in behoorlijke omstandigheden en met fatsoen een bad nemen. De voorbije maanden was mij dat twee keer gelukt in een “decor” van chloor, slagen en onaangenaamheden, bij afwisselend ijskoud en heet water. Nu waren er geen kapo’s bij.
Zalige rust kwam in de plaats van verdwenen barsheid. Ongedierte pletten en lompen van kleding ontsmetten konden gebeuren zonder gebrul en knuppelslagen.
Een grote ontgoocheling#
Het was mei. Een blauwe mei nog wel. Ik verwijlde bij de innigheid van de muziek van de Merchtemse componist August De Boeck over de “lieve mei” en dacht aan huis, aan moeder, aan de familie, aan de vrienden.
De zomer kondigde zich mooi aan. Iedereen leefde op hoop. De repatriëring naar het vaderland was nog een kwestie van weinig tijd. Een dag meldden zich in het kamp Engelsen aan van de inlichtingendienst. Ze waren op speurtocht naar hun “agenten” van onder de oorlog. In Flossenbürg troffen ze er twee aan: Van Horen en … mijzelf. Pak en zak waren vlug gemaakt.
Op 22 mei 1945 stapten wij in een Engelse jeep. We brachten een laatste saluut aan de tienduizenden slachtoffers van dat verschrikkelijke concentratiekamp. Voor mij lag de weg naar mijn dorp, Merchtem, wagenwijd open. Onderweg werd halt gehouden aan het Amerikaanse hoofdkwartier te Weiden. De bedden voor overnachting stonden klaar. Ik beleefde er een onvergetelijke avond. De Amerikanen ontvingen mij als een prinsenjong. De simpele man van de boerenbuiten die ik was, voelde er zich geweldig door gevleid.
Vijf dagen jeep en ik was in Brussel. De Burgemeester van Merchtem was op de hoogte van mijn komst en kwam mij speciaal aan het Noordstation afhalen. “Ik voer je bij je moeder”, zei hij mij.
Tijdens de korte autoreis van Brussel naar Merchtem overviel mij een eerste na-oorlogse ontgoocheling. Wanneer ik van de burgemeester vernam welke schandelijke taferelen zich bij bevrijding in het land en in de gemeente hadden afgespeeld en hoe een wrede repressie een loopje nam met de gerechtigheid, liet ik mij bitter ontvallen : “Daarvoor stierven geen 74.000 mensen in Flossenbürg”. De grote collaborateurs liepen op vrije voeten, de kleintjes, de lampisten, de garnalen deden de gevangenissen en de interneringskampen uitpuilen.
“Had het verzet tegen een vijand het land gediend als men hoorde hoe de straat en de justitie patriottisme vertaalden? Ik betwijfelde het.”
De avond van mijn terugkeer zat ik knusjes bij moeder. Ze vertelde, zoals zij alleen dat kon. Ik was niet zoveel van zeg. De gezondheid was niet al te best. Opeenhoping van vocht in de weefsels (hongeroedeem) en de longen… de behandeling tegen TBC zou zeven jaar duren.
In de dagen die volgden, voelde ik in Merchtem de waardering groeien voor de overlevende van Flossenbürg. De gemeenschap bracht mij en onvergetelijke hulde en zij was rechtmatig fier op haar KZ-gevangene. Ik ben haar daar steeds dankbaar voor gebleven.
De “Dodenmars”#
Zoals reeds eerder te verstaan gegeven, redde de vlektyfus meer dan waarschijnlijk mijn leven. De kapo’s, de kampleiding, de SS’ers lieten mij, zoals zovele andere zieken, in de dagen voor de komst van de Amerikanen met rust en concentreerden hun “bezigheden” op de evacuatie van het kamp, die resulteerde in de beruchte “dodenmars”.
Mijn vriend Emile Launois, ex-gevangene van Flossenbürg, heeft er mij het relaas van gegeven. Dit werd aangevuld door de heren Volmer en Antoni.
19 april 1945 kondigde zich niet speciaal aan. Iedereen voelde de Amerikanen vlakbij maar niemand had enig voorgevoelen van het drama dat de “gezonden” van het kamp, degenen die nog op de been konden staan, tegemoet gingen.
Het laatste bedrijf van een naar woord onbeschrijfelijke gevangenschap, begon met de Joden. De sukkels werden op een hoop gedreven en buiten het kamp geleid. Waar naartoe? Waarom enkel Joden? Volgens getuigen werden ze allen als dieren afgeslacht.
Wat gedaan met de andere duizenden? De Amerikanen rukten op vanuit het Westen, de Russen vanuit het Oosten. Twee pletrollen. Kamp-SS’ers joegen de uitgemergelden in de richting van het Westen. Een apocalyptische lijdensweg, een “laatste oordeel” op Duitse wegen. Overal lijken. Wie niet volgen kon of struikelde werd geveld met een kop- of nekschot. Bewoners van de dorpen hadden opdracht gekregen ze te begraven. Deze hadden handen te kort want de doden van de ene groep staken nog niet onder de grond, of er passeerde een andere die evenveel slachtoffers achterliet. Afschuwelijk. Van de ongeveer 16.000 gevangenen die Flossenbürg vaarwel hadden gezegd, zouden er naar telling 2.654 Dachau hebben bereikt. 5.400 lijken onderweg waren niet meer te identificeren.
Emile Launois en zijn groep hadden het geluk gehad dat bij het overvliegen van een Amerikaans vliegtuig en het steeds luider wordende kanongebulder bij scherper vuur uit machinegeweren de Duitse bewakers in paniek met pak en zak waren op de vlucht geslagen. De groep gevangenen als de bliksem aan haar lot overgelaten, kon zonder enige moeite de Amerikanen tegemoet gaan.
De zwerftocht was ten einde!
Er werd meteen een punt geplaatst achter een beulentijdperk dat gegroeid was uit een ideologie rond “Führer, Volk und Vaterland”: “Untermenschen” hadden geen recht op leven… Het nazisme ingeënt op het recht van de sterkste, joeg in zijn hooghartigheid het hele mensdom tegen zich in het harnas. Het was in staat tot de ergste misdaden tegen de mensheid. Miljoenen mensen gingen een lijdensweg zonder weerga in de geschiedenis. Duizenden landgenoten werden om hun politieke erfgoed gefolterd, gedood. Dat men nimmer hun lijden in de vrijheidsstrijd voor volk en land vergeten.
Vrijheid is recht, vrijheid is geluk, vrijheid is toekomst, vrijheid is liefde, vrijheid is leven. VRIJHEID BANT OORLOG.
C.J. Droesbeke
Addenda#
- Personalia: Constant Julien Droesbeke werd geboren te Anderlecht op 25 april 1907. Hij was sinds 1936 beroepsfotograaf te Merchtem. Adres: Krekelendries 4. Hij deed zijn militaire dienst bij het 2de regiment Gidsen, waarin hij eerste wachtmeester werd.
- Weerstand: C.J. Droesbeke was in 1941 onder het nummer 2.777 lid van het F.I. (Onafhankelijksheidsfront). In 1942 kwam hij in contact met de “Groep G” onder het nummer KM 12 A6 sectie Bayard. De opdracht was: inlichtingen verschaffen over militaire en andere treintransporten op de lijnen Brussel-Dendermonde-Zeekust en Brussel-Antwerpen, alsook over het spoorarsenaal te Mechelen en over Duitse opslagplaatsen.
Voorts: het saboteren te Asse van Duitse telefoonverbindingen. In opdracht van de h. Servais, Stevens de Lannoystraat 28, Laken, werd Droesbeke betrokken bij clandestiene wapen- en munitieleveringen vanuit de lucht op de Bosbeek-Brussegem. De springstof was bestemd voor het opblazen van garages die voor de Duitsers werkten.
C.J. Droesbeke verleende ook zijn medewerking aan reproducties van foto’s en teksten (“ne travaillez pas pour Hitler, la mort vous attend”) ten gerieve van de clandestiene pers o.m. “De Klaroen”.
In juni 1942 werd C.J. Droesbeke door de B.N.B. (Belgische Nationale Beweging) in de verzetsrangen gehaald voor de bedeling van de clandestiene krant “La Voix des Belges”.
Tot voor zijn aanhouding op 31 maart 1944 ging C.J. Droesbeke op 11 november, de herdenking van de Wapenstilstand van W.O.1, Belgische vlaggen hangen op monumenten te Merchtem, Mollem en Opwijk. Te opwijk stal hij met de medeplichtigheid van mej. Tassenoy en de h. Paul De Meersman de naamlijsten van arbeiders die voor verplichte tewerkstelling in Duitsland in aanmerking kwam en de rantsoenzegels teneinde ondergedoken weerstanders te kunnen bevoorraden.
- Documenten van verdiensten:
a. Toekenning van oorkonde voor gepresteerde diensten (inlichtingen) en grote verdiensten in het actief verzet “om op schitterende wijze en met grote moed de gemeenschappelijke strijd tegen de vijand te habben gevoerd. Aangehouden en in Duitsland gevangen, nam hij een allerwaardigste houding aan tegenover zijn rechters. Is ook groot-invalide. Gegeven bij besluit van de Prins Regent n° 2.783 van 10 augustus 1946 en bij besluit van n° 22.483 van 20 juli 1983.”
b. Officiële verklaring van de burgemeester:
“De burgemeester van de gemeente Merchtem verklaart dat de personenwagen van Droesbeke Constant-Julien van Merchtem, plaat nu. 333873, dienst heeft gedaan gedurende de mobilisatie van het Belgische Leger en de oorlog, totdat het voertuig als oorlogsbuit in Duitse handen is terecht gekomen. Daarna is de h. Droesbeke deze wagen gaan stelen bij de Duitsers en heeft hem onder de bezetting verborgen gehouden. Volgens mijn mening was zijn wagen voor de mobilisatie in goede staat.
Merchtem, 10 september 1946, burgemeester Van Ginderachter.”
c. Certificate of Service:

d. Officiële verklaring van politiecommissaris:
“De ondergetekende, politiecommissaris van de gemeente Merchtem, bevestigt dat de genaamde Droesbeke Constant Julien, politieke gevangene, geboren te Anderlecht, de 25 april 1907 en wonende te Merchtem, Krekelendries 4, tijdens de oorlog 1940-1945 zeer bedrijvig was in de weerstand en hij gedurende geruime tijd daadwerkelijke hulp verleende aan twee ondergedoken Russische onderdanen. Merchtem, 14 september 1966.”
Hulp aan werkweigeraars: verleende arbeiders die verplicht werden naar Duitsland te gaan werken onderdak en voeding.
Hulp aan Russen, Amerikanen, Joden: een nacht ontmoette C.J. Droesbeke twee Russische soldaten. Ze waren ontsnapt uit een werkkamp aan de verbrande Brug te Vilvoorde. Een van hen, Wassili Kisolof sprak een weinig Frans. De tweede heette Ivergnie Litsitjanskie. Droesbeke maakte voor beiden de kleerkast leeg en bezorgde ze ook identiteitspapieren die gestolen waren in het gemeentehuis van Sint-Jans-Molenbeek. De twee Russen werden vervolgens op kosten van de h. Droesbeke en diens moeder ondergebracht in de gehuurde villa Abatuci op de Bosbeek te Brussegem (Merchtem). Beiden onderhielden (onderhoud, voeding en huur) de twee Russen tot bij de bevrijding. Eens gerepatrieerd gaven beide Russen teken noch leven meer.
Twee Amerikaanse vliegeniers boven Ath neergeschoten, geraakten tot Merchtem. De h. Droesbeke was op dat moment al door de Duitsers aangehouden en zat gevangen te Antwerpen. De Merchtemse weerstand wou contact nemen met Droesbeke die adressen kende waar de Amerikanen zouden veilig zitten. De moeder van Droesbeke bekwam via kennisrelatie bezoekrecht bij haar zoon. Dat kostte haar 16.000 fr. en een hesp, maar ze wist een adres (kleine boeren met veel durf op Breestraeten) waar de twee Amerikanen tot het einde van de bezetting konden blijven. Een van de Amerikaanse vliegeniers, officier Dingledine uit Washington, onderhield voor het leven contact met Merchtemse weldoeners.


C.J. Droesbeke en Albert Moons hielpen de Belgische jood Chlema Seidenschnir aan een onderdak in het klooster te Mollem. Deze man ontsnapte aldus aan de deportatie naar Duitse concentratiekampen.
Reageren via email